Georgette De Wael, kleindochter van Emiel Tirry ging op zoek naar anekdotes en foto’s van haar opa die aan het front verbleef als jong soldaat tijdens Wereldoorlog I. Zij schreef korte maar vooral mooie verhalen over een jongeman in de toenmalige sombere oorlogsjaren. De foto’s die zij na veel zoeken vond, zijn een meerwaarde omdat we bij het lezen de mens achter het verhaal vinden. 

Zo verliep zijn leven

Emiel Tirry werd geboren in Brussegem op 19 februari 1892, als oudste kind van Joseph Tirry en Philomena Fisack. Hij had drie broers - Jan, Guillaume en Karel -  en drie zusters - Josephine, Louise en Mathilde. De familie woonde in een hoeve in Bollebeek, in de Kersgatstraat, waar nu zijn neef Louis Tirry nog woont. Zoals in die tijd in de streek gebruikelijk was, werd naar het gezin verwezen met een bijnaam en voor hen was dat ‘van zoon’, wat naar we vermoeden ontstond doordat de grootmoeder Maria haar enige zoon Joseph altijd aansprak als ‘zoon’.  Miel was dus ‘ Miel van zoon’.

Toen  Miel in september 1922 trouwde met Antonia Jacobs, ging hij in haar dorp Relegem wonen. Zij kregen samen acht kinderen, drie zonen – Joannes, Guillaume en Emiel (de jongste, die als baby stierf) en vijf dochters – Philomene, Mathilde, Josephine, Louise en Maria.

 Miel werkte bij de Spoorwegen, als stoker op de stoomtrein en, als het met zijn gezondheid minder goed ging, deed hij er kleinere taken als bv. zorgen voor koffie. Een nog gekende anekdote uit die tijd is dat hij uit Frankrijk Picon meebracht in het waterketeltje.

Tegen het einde van 1927, bij de geboorte van het vierde kind, was het huis klaar dat hij en Nette samen bouwden aan de Poverstraat in Relegem. Zoals toen veel het geval was, werd er thuis ook nog een kleine boerderij uitgebaat. Ze hadden een koe, een varken, een ezel en kippen en er werden tarwe, aardappelen en groenten geteeld.  Miel was daarbij ook duivenmelker. Ze hadden zelfs een paard, waarover ook nog een verhaal te vertellen is. Bij de slachthuizen in Anderlecht had hij een mager maar goedkoop paard gekocht en hij werd met dat armtierig beest in het dorp flink uitgelachen. Door de goede zorgen werd het wel een flink paard, dat jammer genoeg in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers werd opgeëist.

Bij de kachel, vertelde hij wel eens over zijn ervaringen, maar de kinderen waren zo jong, dat de meeste anekdotes verloren zijn gegaan. Zijn kinderen getuigden dat  Miel een fiere, zachtaardige, warme en bekommerde vader was, die er alles aan deed om de kinderen, in de mate van het mogelijke, een goede toekomst te geven. Een anekdote daarover nog: toen een van zijn kinderen een astma-aanval kreeg en hij de dokter zou halen, vroeg hij aan zijn vrouw om het toch eerst nog even te mogen vasthouden.

 Miel stierf in Relegem op 27 augustus 1940, 48 jaar oud. Hij zou bij het op het veld bij het maaien van de klaveren, in paniek door ongetwijfeld een pak vreselijke herinneringen, een hartaanval gekregen hebben toen de Duitsers doortrokken. Zijn weduwe bleef net bij het begin wan de Tweede Wereldoorlog achter met 7 kinderen tussen de 8 en de 18 jaar oud, maar deze bewonderenswaardige vrouw wist zich daar doorheen te slaan.

Het ganse gezin is hem wel levenslang blijven missen.

 

Oorlogsjaren

Er is geen gestructureerd verhaal overgebleven over de periode van  Miel als soldaat in de Eerste Wereldoorlog, maar uit enkele anekdotes en foto’s en uit achtergrondinformatie op het internet, kunnen we toch nog een aantal dingen afleiden.

Vermits het systeem van de loting afgeschaft was in 1909, viel  Miel onder de nieuwe regeling waarbij de oudste zoon vrijgesteld werd van legerdienst. Toen een volgende zoon in 1913 dan wel opgeroepen werd, overtuigden de ouders  Miel om in de plaats van zijn broer te gaan omdat hij ‘goed zijn plan kon trekken en het toch niet voor lang was’.  Miel werd ingedeeld bij de karabiniers en kwam vanuit die legerdienst in 1914 als 22-jarige terecht aan het front in de Westhoek.

Hij heeft verteld dat hij in Steenstraete, bij Ieper, een Duitse aanval met chloorgas meemaakte. Vermoedelijk was dat op 22 april 2015, bij de tweede slag om Ieper. Er vielen toen heel wat doden en vele anderen kregen ernstige problemen aan de luchtwegen, iets waar  Miel ook de rest van zijn leven last van had.

Uit een postkaart aan zijn ouders, weten we dat  Miel in september 1915 in Nederland verbleef, in het interneringskamp van Harderwijk in de Veluwe. Toen op 8 oktober 1914 Antwerpen ingenomen werd, zouden daarna een miljoen Belgen, waaronder 33.000 militairen, naar Nederland gevlucht zijn en normaal was  Miel een van hen. De militaire vluchtelingen werden ondergebracht in interneringskampen, omdat Nederland volgens internationaal recht er als neutraal land voor moest zorgen dat troepen en middelen van de strijdende partijen die op zijn grondgebied terechtkwamen niet meer aan de strijd zouden kunnen deelnemen. Uit het dagboek van een medegevangene, Henri Picard, weten we dat er in het dorp een bibliotheek was, een schouwburg, scholen, sportvelden en een drukkerij. De soldaten mochten er door familieleden bezocht worden en dat blijkt ook voor  Miel het geval te zijn geweest. De familie stuurde een kaart met een foto van vader Joseph Tirry en zijn dochter Louise om  Miel te verwittigen dat die twee op de ochtend van 26 september 1915 in Bollebeek vertrokken waren om hem in het kamp te bezoeken. Die kaart bereikte  Miel via bakker Bonné in Harderwijk, waar zijn neef bakker Benoit Van den Broeck uit Opwijk blijkbaar tewerkgesteld was.

Duizenden ‘gemotiveerde’ Belgische militairen zouden uit de Nederlandse kampen ontsnappen om via Groot-Brittannië en Frankrijk toch weer deel te nemen aan de oorlog aan het Belgische front. Dit is maar voor een aantal gelukt. Een kaart met een foto van Miel, zonder verdere tekst of datum, wijst erop dat ook hij daarbij hoorde. Op de achterkant staat immers ‘Post Card – Hughes, 433 Strand and 7 Edgware Road’. Die adressen verwijzen naar de toen bekende fotograaf Hughes in Londen, zodat we vermoeden dat hij dat op een bepaald moment in Londen zat en zo weer naar het Belgische front kwam. Werd die foto genomen na de ontsnapping uit Harderwijk of later wanneer frontsoldaten af en toe mochten gaan uitrusten in Engeland? Het verdere verloop wijst er alleszins op dat hij weer aan het front raakte in de Westhoek.

Er is ook een merkwaardige fotokaart met een soort van ‘fotoshopping’. De jongste zus Mathilde staat er op bij haar Communie samen met de moeder, maar in de linkerbovenhoek is er een foto ingelast van Miel in soldatenuniform. Vermoedelijk dateert die foto van het einde van de oorlog of van net erna, want sedert 1910 werd de eerste communie rond 7-8 jaar ingevoerd en zus Mathilde, die geboren werd in 1907, lijkt eerder een plechtige communiekant.

Miel stuurde naar zijn ouders ook een kaart met foto vanuit Tienen, zonder tekst of datum. We weten wel dat die niet kan dateren uit de periode toen daar in de buurt strijd geleverd werd tegen de invallende Duitsers, want dat was op 18 augustus 1914 en Miel staat op de foto met 6 frontstrepen op de mouw, wat erop wijst dat hij toen al meer dan 3,5 jaar aan het front doorgebracht had. Er werd immers een eerste frontstreep toegekend na één jaar front en daarna één streep per bijkomende zes maanden.

Toen Miel na die vele jaren terugkwam naar Bollebeek was het nieuws over de komst van de frontsoldaten daar als een lopend vuurtje verspreid en gingen de mensen hem in groep tegemoet.  Miel bleek toen zelfs zijn eigen jongste broertje niet meer direct te herkennen.

Na de Wapenstilstand op 11 november 1918, namen de Belgen deel aan de bezetting van het Rijnland (o.a. Aken, Keulen, Düsseldorf, Trier, Koblenz), die meer dan 10 jaar standhield.  Miel blijkt daar ook voor opgeroepen te zijn, want op 3 mei 1919 stuurde hij vanuit Duitsland naar zijn ouders een foto van zichzelf midden in een groepje poserende soldaten. Naar wat hij schrijft, waren ze daar klaar om desnoods op te rukken, maar hij dacht dat dat wel niet zou gebeuren en dat het eerder een soort afschrikking was voor de Duitsers.  

Bij de kachel, vertelde hij ook over zijn ervaringen, maar de kinderen waren zo jong, dat de meeste anekdotes verloren zijn gegaan. Enkele tastbare herinneringen waren er echter nog. Aan de muur in de woonkamer hing, zover onze herinnering reikt, een kader met een soort erkenningsdocument, uitgereikt door de gemeente Brussegem. Op dik papier, in groot formaat, is daarop een rechtstaande soldaat met een geweer, afgebeeld tussen 2 zuilen, met een gedrapeerde Belgische vlag in de hand en volgende tekst: ‘Brusseghem aan haren  meedeburger den heer Tirry Emiel Jan Donaat, soldaat 2de regiment carabiniers, voor het roemrijke deel dat hij genomen heeft in het verdedigen der Haardsteden en de Eer van het Belgische Volk gedurende de oorlog van 1914-1918’, getekend door de Secretaris en  De Burgemeester en Schepenen.

Hoewel we als kleinkind wel eens speelden, van geen kwaad bewust, met de ronde kaki helm, die op zolder achtergebleven was, hebben we veel respect voor onze opa.