Wat voor je ligt komt  uit het dagboek van een 89-jarige Ludovicus Franciscus Van Lier. Pierre Parijs uit Leireken in Peizegem gaf het ons ter lezing. We vonden het een bijzonder mooi levensverhaal dat de toenmalige tijdsgeest verheldert. Daarom willen we twee verhalen uit Ludovicus’ dagboek met je delen. In het eerste stelt hij zichzelf voor. Voor het tweede verhaal maken we een sprong in de tijd en belanden we in de frontlinie van de Eerste Wereldoorlog. 

 

Zo begon mijn leven

 

Ik ben Ludovicus Franciscus Van Lier en ben geboren in 1889 in Merchtem ten Bos, het huidige Peizegem. De zusters (of nonnekes) in de lagere school noemden me Van Lierde en ik ben zo aangesproken gebleven in mijn schooltijd. Mijn vader, Joannes Van Lier is geboren in 1841 en hij stierf in 1893. Moeder heette Marie Louiza Vandenberghe.  De buren noemden haar kortweg Wieze. Zij stierf toen ze 71 was in 1922. 

 

Mijn vroegste herinnering dateert van toen ik vier jaar was. Op een dag waren we vlas aan het strijpen.  Dat wil zeggen dat we de zaadbollen ervan verwijderden. Ik kan me nog levendig voor de geest roepen dat er toen een hevig onweer losbarstte. Vader nam mij op zijn schouders en we schuilden in de nabijgelegen woning van Peer den Dikke. Dat is mijn eerste herinnering aan mijn vader. Het was 1893. In de herfst van datzelfde jaar werd vader plots ziek en hij moest naar het gasthuis in Merchtem. Ze hebben er hem naartoe gedragen en daar is hij overleden. Hij was amper 52 jaar oud. Moeder bleef met 7 kinderen achter waarvan de oudste 21 was en de jongste, ik dus, vier jaar.

 

We woonden toen in een klein lemen huis. Het had een zitplaats, slaapkamer, een schuurtje en een geitenstalletje. Moeder sliep samen met de meisjes en de twee kleinste jongens in de kamer. De andere gezinsleden sliepen op zolder. Omdat het dak bedekt was met een 30 centimeter dikke laag stro, waren we gelukkig goed beschermd tegen de kou.  Onze tamelijk grote hof was beplant met hop en daarnaast hadden we - naast Buggenhout Bos - nog een stuk land van een halve hectare groot voor aardappels, koren, rapen en soms ook vlas.

 

Het is nu wel  duidelijk voor jou, als lezer,  dat we zeker en vast geen rijke familie waren, maar ik had geluk. In die tijd was het de gewoonte dat kinderen gingen werken nadat ze hun eerste communie hadden gedaan. De meisjes werden dan meid, de jongens konden als knecht aan de slag op een of andere hoeve. Ik had inderdaad geluk want als jongste van zeven kon naar school tot ik twaalf jaar oud was. 

 

In het jaar 1911 – ik was toen vijftien - werd tussen ons huisje en dat van onze geburen een steenoven gebouwd. Zo konden we de nodige stenen bakken en ons lemen huis werd vervangen door eentje uit steen. Dat was alleen mogelijk omdat Tante Roos, de zuster van mijn moeder, ons financieel geholpen had. Feit is dat we vanaf dan een stenen huis hadden en dat was pure luxe !

 

Oorlogsjaren

 

Toen ik 20 jaar was,  moest ik deelnemen aan de loting. Mijn broers en ik trokken een goed nummer : 227. Ik heb er nog de tatoeage van op mijn rechterarm. Dat nummer stelde mij dus vrij van legerdienst. Toch ging ik bij het leger als vrijwilliger met premie. Ik zou dan een vergoeding van 1.800 frank krijgen en dat was in 1909 een hele som! Op 13 augustus 1909 werd ik soldaat in Luik op de Chartreuse bij het 12de linieregiment. Het beviel er mij goed en ik kon mijn Frans vervolmaken want mijn kamergenoot was Jean Gabriël,  een Waal uit Herve.  Over mijn legerdienst valt in feite  niet veel te vertellen. Er waren de oefeningen, de nogal lange marsen en schietoefeningen te Bressoux.  Mooi is wel dat na mijn ontslag uit de krijgsdienst in september 1911 ons moeke de gelukkigste vrouw ter wereld was toen ik haar mijn spaarboekje gaf met daarop de som van 1.800 frank.  

Ik hervatte mijn werk bij de spoorweg maar na een paar jaar ging ik werken bij de telegraaf.

 

Op 1 augustus 1914 was ik aan het werk in Essen aan de Hollandse grens, toen de algemene mobilisatie werd uitgeroepen. Ik ging onmiddellijk naar huis waar mijn oproepingsbrief lag. Moeder was enorm aangeslagen en zei : ‘God weet hoe lang dat allemaal zal duren’. Ik troostte haar met de woorden : ‘Niet wenen moeke, binnen veertien dagen is alles voorbij’. Wie had kunnen denken toen dat die veertien dagen 5 jaar zouden duren !

 

Ik vertrok en kwam ’s avonds in Luik aan; ditmaal niet op de Chartreuse maar op de Citadel waar mijn compagnie intussen overgeplaatst was. De tweede augustus vertrokken wij heel vroeg in de morgen op verkenning naar het zuiden van de provincie Limburg. Wij bereikten Sint-Truiden zonder iets bijzonders te bemerken van een oorlog  tenzij grote potten bier die de bevolking ons aanbood.

Ook de volgende dag gingen we op stap: ditmaal de Maas over, richting Duitse grens. We arriveerden in Queue du Bois, een boerendorpje ten oosten van Luik.  Wij logeerden er tegen de gevel van een grote hoeve. Sus Crols en ik kregen het bevel om van daaruit  nog wat verder op verkenning te gaan maar we stelden niets vast en met een gerust gemoed keerden we terug naar de rest van onze compagnie. Maar ’s morgens bij het eerste daglicht riep de schildwacht: ‘Alerte !’. Wij sprongen recht, grepen de wapens en verspreiden ons over een nogal brede steenweg. Kort daarna  zagen we de eerste Duitsers en die aarzelden niet om te schieten. Ik zag het hoofd van een Duitse overste omdat het uitstak boven een haag.  Hij voerde zijn manschappen aan met de kreet:  ‘Komm bei, komm bei’. Maar ik richtte de loop van mijn geweer op zijn hoofd  en schoot. Ik ben er zeker van dat ik het geraakt had want de kreet ‘Komm bei’ hield op. Onze eenheid verdedigde zich dapper, maar de Moffen kregen versterking en we moesten  wijken.  Lowieke Van Keerbergen uit Diegem, een van mijn legermakkers en een van mijn beste vrienden bleef ter plekke liggen. Hij was de eerste gesneuvelde die ik zag. We waren verplicht te wijken tot ook wij versterking kregen. Wij gingen langzaam achteruit en in de namiddag terug bereikten we Luik  waar de bevolking ons toejuichte alsof wij heel Duitsland hadden overwonnen. Helaas, het was heel anders.

 

Wij trokken vanuit Luik langzaam achteruit en legden altijd kleine afstanden af tot we in de omgeving van Waremme belandden, waar we overnachtten op een hoeve. De volgende morgen ontsnapte ik  aan de dood. Toen we namelijk op een rij stonden en de luitenant het bevel ‘Wapens neer’ gaf, voelde ik een kogel rakelings lang mijn oor passeren. Dat kwam omdat Jozef Smolders, een jongen uit Heusden-Zolder vergeten was zijn geweer te ontgrendelen.  Zo zou de oorlog voor mij snel voorbij zijn geweest. Na dit incident begonnen de dagmarsen waarbij we telkens een kleine afstand te voet aflegden richting Leuven, waar we aankwamen op 15 augustus. Ik zag er  mijn broer Gustaaf. Van hem hoorde ik dat ook mijn broer Jozef en mijn schoonbroer Joannes, de man van ons Marie opgeroepen waren. De oudste zoon van mijn zuster Rosalie was eveneens in actieve dienst. We waren dus met vier uit dezelfde familie  in actieve dienst.

 

We trokken verder naar de vesting van Antwerpen en hadden een kampement ergens tussen Mechelen en Kontich. Van daaruit konden we in de verte de bombardementen horen die  de Duitsers uitvoerden op de forten rond Antwerpen. Na een paar dagen moesten we op weg om de Duitsers tegen te houden die doorgedrongen waren tot in Eppegem. Aanvankelijk lukte ons dat  tot echter de vijand zoveel versterking kreeg dat we ons moesten terugtrekken richting Kapelle-op-den-Bos en Londerzeel. In Londerzeel-Heide installeerden we ons  en een sectie van onze compagnie had de opdracht om de wacht te houden. Op zeker moment vroeg de sergeant me om alleen verder te gaan want ik kende de omgeving toch. Ik ging dus verder tot ik de hagen zag die de spoorweg omringden. Boven de haag zag ik een Duitse kop en in plaats van mij stilletjes terug te trekken, vuurde ik een schot af.  Dat werd beantwoord door verschillende schoten. Gelukkig was er een draadversperring in de straat en die heeft me beschermd. Toen ik aankwam van waar ik was vertrokken hadden mijn legermaten de plaat gepoetst. Toch bereikte ik ongedeerd mijn compagnie.

 

Onze aftocht ging verder via Lippelo, Liezele richting Bornem waar we de Schelde overstaken in vissersboten om zo Temse te bereiken. Van daaruit ging het richting Lokeren waar Duitse verkenners ons opwachten maar het lukte ons hen snel te verdrijven. Met dagelijkse kleine afstanden trokken we verder naar Gent en  belandden rond de 12de oktober in Drongen. Van daaruit bracht  een trein ons naar Nieuwpoort-Bad  waar wij de nacht doorbrachten. De volgende dag voerde onze tocht ons zuidwaarts langs de IJzer met als doel Diksmuide te bereiken. We vernachten in Avecapelle en die nacht zal ik nooit vergeten. Het matras was een hoop aardappels en ik kan je verzekeren dat dit alle behalve gemakkelijk is. ’s Anderendaags volgde een verkenning in Diksmuide. Alles was er rustig maar de stad was bezaaid met lijken. Zo een beeld vergeet je nooit.

 

In de nacht van 21 op 22 oktober hoorden we al  geschut, maar op 23 oktober volgde een zwaar gevecht . De Duitsers vielen aan, gelukkig  zonder voorspoed. De volgende nacht was heviger:  twaalf maal liepen de Duitsers stormloop op onze stellingen en twaalf maal werden ze teruggeslagen en dit dank zij  de medewerking van de Fuseliers Marins Français van admiraal Ronarch.

 

Op 25 oktober  heel vroeg in de ochtend losten de troepen van het 11e Linieregiment ons af. Wij mochten  in rust gaan naar Lampernisse. Ongeveer halfweg, in Oostkerke, verwittigde een fietser ons dat  de Duitsers door de linie waren gebroken en dat we dus moesten terugkeren om de 11de linie te helpen. Zo gevraagd zo gedaan en van de Duitsers die de linie hadden doordrongen, is er geen enkele levend naar zijn afdeling teruggekeerd.  Maar we  zaten nu wel weer  de frontzone. In de nacht van 25 op 26 oktober werd er wat heen en weer geschoten. Toen het ’s morgens klaar was, zagen we een Duits soldaat  op een 20-tal meters voor onze lijn. Hij kreunde van pijn. Onze luitenant vroeg een vrijwilliger om de sukkelaar in onze linie te brengen. Ik had medelijden met de man en meldde me. Echter, op een zestal meter afstand van hem verwijderd, trof een kogel mijn achterhoofd. Ik  moest dus zelf verpleegd worden. Korporaal Vandegaeve (?)  gelastte zich met het vervoer naar de hulppost. Die plek was gevuld met gekwetsten. Vrij spoedig kreeg ik een voorlopig verband,  nadien bracht  de ziekenwagen me naar Adinkerke en van daaruit ging het met  de trein richting Calais. De uiteindelijke stopplaats was het Shirley Warren Hospital in Southampton. Ik was beland in een grote havenstad in het zuiden van Engeland.

 

In het hospitaal vernieuwde de verpleegsters eerst en vooral mijn verband . Daarna kreeg ik een bad en eerlijk … nooit heb ik zoveel genot gehad van een bad. Het was meer dan 3 weken geleden dat ik nadien schoon ondergoed droeg. Dan volgde een bezoek aan de dokter, een dame. Ze scheerde het haar rond de wonde op de schedel weg en zei voortdurend: ‘brave garçon’. Ik denk dat dit al het Frans was dat ze kende. In datzelfde hospitaal waren er nog Belgische soldaten. De wonde aan mijn hoofd was minder erg dan eerst gevreesd en na een vijftal  dagen mocht ik in de stad wandelen.

 

Zo gingen drie weken voorbij. Toen kwam er een dame in het hospitaal die een Belgisch soldaat wilde opnemen om bij haar thuis het herstelverlof door te brengen. Haar keuze viel op mij. Ik had geen bagage, dus ging ik direct met haar mee naar haar villa gelegen in Newlands Avenue. De  naam van de  villa ben ik vergeten. Het is ook al zo lang geleden! Haar echtgenoot was ontvanger van de belastingen en heette James Matthews. De dame in kwestie was Alice Grace. Ze hadden geen kinderen, hoewel beiden dertigers waren. Ik werd door hen aangesproken met de voornaam Francis.

Ik geef toe: een eigen kind kon niet beter behandeld worden dan wat mij overkwam.

 

Maar aan alles komt een einde en na drie maanden kreeg ik het bericht om terug te keren naar mijn compagnie die zich op dat moment in De Panne bevond. Daar vond ik het merendeel van mijn makkers terug maar ook enkele nieuwelingen. Vanuit De Panne vertrokken we naar het front in de sector van Pervijze waar het tamelijk kalm omdat het er onder water stond. Na drie maanden moesten we naar Diksmuide waar het altijd zeer gevaarlijk was. Op een dag gebeurde het volgende: ik zat in de loopgracht met naast mij een Waal, Decat. Zijn voornaam ben ik vergeten. Op zeker ogenblik zei hij in het Frans : ‘François, zie eens !’. Ik heb nooit geweten wat hij wilde zeggen want op hetzelfde ogenblik trof hem een kogel juist in het voorhoofd. Hij was op slag dood. Er werd ginds  hevig gevochten maar wij hielden stand.

 

Mijn oorlogstijd in  de loopgraven stopte omdat  de telegrafisten van de genie extra mankracht zochten. Ik vroeg en kreeg de toelating naar die dienst over te stappen en omdat ik als burger ook bij de telegrafie  had gewerkt, had ik niet de minste moeite met de nieuwe taak. Na een maand oefening in Calais werd ik ingelijfd bij de genie telegrafisten voor de tweede divisie. Ze lagen toen in de sector Oost-Vleteren. De dienst was er niet minder gevaarlijk maar de discipline wel wat minder wat maakte dat onderofficieren en soldaten kameraden ondereen waren.

 

Daarna trok onze compagnie naar Diksmuide, de gevaarlijkste van alle sectoren. Jozef Dhont uit Brussel, Benoit Meersman uit Opwijk, Theo Van Gool uit Antwerpen, Frans Crols uit Rijkevorsel en ik kregen een kleine post op de Ferme du Colonel, juist ten zuiden van de stad. We hadden er  een tamelijk stevige bunker. In de zomer van 1917, heel vroeg in de ochtend, vloog een Duitse vlieger heen en weer over onze post.  Ik zei tegen Benoit Meersman : ‘Benoiken jongen, ik vrees dat we ons aan bombardementen mogen verwachten,  want het is niet voor niets dat die mof onze linie komt verkennen’. En inderdaad om ongeveer kwart na acht begon het concert: de vijandelijke artillerie ving aan met  haar vernielingswerk. In onze bunker zaten wij min of meer beschermd, maar die arme piotten in de loopgraven wisten niet waar kruipen. De bommenregen was zo intens dat de jongens in de loopgraven zich moeilijk konden beschermen. Omdat ik aangesteld was als verpleger had ik dan ook meer dan de handen vol met de verzorging van gekwetsten. Het geschut duurde tot ongeveer één uur en in die tijd vielen er in de omgeving van onze bunker meer dan 50 bommen. Gelukkig was de bunker bij geen enkele dropping het doelwit geweest. Ik had die dag zoveel en zo goed mogelijk mijn best gedaan dat de geneeskundige dienst mij geluk wenste en de major deed het nodige om mij het oorlogskruis te bezorgen. Wij kwamen alle vijf ongedeerd uit het bombardement maar de piotten waren er duizend keer erger aan toe. Maar het sprankeltje hoop van de dag was dat  de Duitse aanval afgeslagen was.

 

Na de sector van Diksmuide kregen we rust in De Panne. Intussen was het winter en lag de sneeuw een voethoogte dik. Na de rustperiode ging het opnieuw richting  Oost-Vleteren waar ik tot juli 1918 ben gebleven om dan naar Nieuwpoort te gaan. Vanuit die kuststad werden heel veel kanonnen – in alle groottes - naar het front gereden. We voelden dat er iets zou gebeuren. En inderdaad in september deden de geallieerden een eerste aanval, maar eind oktober werd de Duitse vijand achteruit gedreven door de strategische opstelling van onze talrijke kanonnen. Ik kan je verzekeren dat er zowat om de 50 meter een vuurmond stond en dit van  Nieuwpoort tot de Elzas. Stel je het gebulder voor als op een ogenblik alles begon te schieten. De vijand moest wel achteruit. Wij van onze kant staken de IJzer over en rukten op naar Brugge. Het was toen 4 of 5 november, ik weet het niet meer. En onze opmars ging voort, langzaam maar zonder ophouden: op 9 november kwamen we in Lovendegem, op een tiental kilometer van Gent.  We overnachtten er  samen met het tiende. Mijn makker, Theo Van Gool en ik logeerden in een herberg waarvan de bazin zich gewond had aan haar linkerarm met een sikkel. Ik verzorgde haar zo goed ik kon en ze zo dankbaar dat ze zelfs een matras beneden liet brengen zodat ik niet  op stro moest slapen.

 

De 11e november, ’s nachts rond 1 uur kwam sergeant Daenen ons logement binnengestormd met de kreet : ‘Mannen het is gedaan.  Sinds 11 uur in de voormiddag is het  wapenstilstand !’.

Je kan je onze gevoelens wel voorstellen: de oorlog gedaan en de Duitsers klein gekregen ! Dubbele overwinning die Lovendegem zal gedenken door de zegekreten die er geroepen werden. Op de toog van het café stond nog een half fles jenever die we op ons gemak hebben leeggemaakt. Toen ik ’s morgens aan de bazin vroeg hoeveel we moesten betalen riep ze uit : ‘Niets, al had je de hele kelder leeggedronken !’.

 

’s Anderendaags, de 12de november vroeg Theo Van Gool  of ik zin had om te zien hoe de Gentse bevolking die overwinning opnam. Ik vroeg niets liever want twee maal tien kilometer stappen was niet zo erg. We waren meer gewoon. We gingen dus op stap naar de Arteveldestad. Wat  we daar zagen en hoorden,  tartte alle verbeelding. We stelden er vast  hoe de menigte kan opgezweept worden door een paar, ik zal maar zeggen, stommelingen.

 

De 13e november stevenden we af naar Lokeren waar we de volgende dag rond zes uur ’s avonds aankwamen. We moesten er  in een grote zaal overnachten. Ik vroeg aan de baas hoever het van Lokeren naar Dendermonde was. Hij schatte het op drie uur. Ik rekende verder de afstand uit : van Dendermonde naar Peizegem is twee uren en een half. Mijn beslissing was genomen : ik ging naar huis. Ik denk dat het rond tien uur was als ik in Dendermonde aan het station aankwam. Op treinen moest ik niet tellen want die reden niet. Ik wandelde verder op het spoor naar Baasrode en Buggenhout. Daar aangekomen verliet ik het spoor, nam de steenweg naar Peizegem. Toen ik de woorden ‘ Peizegem  4 km’ op een wegwijzer las , dacht ik dat ik zot werd. Veertig minuten later na  Buggenhoutbos doorkruist te hebben,  klopte ik aan het venster van moeders slaapkamer. Toen ze vroeg wie er was, kon ik niet antwoorden maar toe ze herhaalde:  ‘wie is daar ?’ antwoordde ik : ‘Indien je dat eens wist’.

 

En …  moeder… me dunkt dat ik haar kreet nog hoor hoe ze riep : ’ Mijn jongen, ik wist het !’ Hier is een uitleg bij nodig want wat was er overdag voorgevallen. Diezelfde dag was mijn broer Louis thuis bij moeder gekomen om een en ander op te knappen. Toen hij naar huis wilde,  zei moeder : ‘Louis zet de kamer van Frans in orde want die gaat naar huis komen’.

‘Ja’ zei Louis ‘ik zal dat morgen wel arrangeren’.

‘Neen’ zei moeder ‘dat moet nu gedaan worden’.

 Louis zei : ‘Hij zal vanavond nu toch niet meer naar huis komen’.

‘Dat weet je niet’ zei moeder en  …  ik was daar !

 

Stel je voor hoe het voelde toen ik na vijf jaar ons moeder in mijn armen drukte !

Wij hadden met vier van de familie in de oorlog gezeten : mijn broer Jozef, mijn schoonbroer namelijk de man van ons Marie, mijn neef namelijk de oudste zoon van mijn oudste zuster en ikzelf. Gelukkig waren we alle vier ongedeerd teruggekomen. Ongelukkig was mijn zuster waarvan de zoon aan het front was geweest gedurende de oorlog waar hij aan de Spaanse griep was gestorven.

 

(naar het Dagboek van Ludovicus Franciscus Van Lier)